Abdij van Murbach

Er zijn van die pareltjes die liggen te wachten om ontdekt te worden en hun bijzondere verhaal met je te delen. Zo ook de abdij van Murbach. Dit keer geen toevallige ontdekking, wanneer we in een onbekend of minder bekend gebied zijn vind ik het leuk om interessante historische plaatsen te zoeken. Zo kwam ik uit bij deze abdij. De oorspronkelijke planning was om de hoogste top te bezoeken maar mijn gevoel stuurde me een andere richting in.

De autorit er naartoe was al een genot op zich, vervolgens naar boven rijden om voor mijn gevoel een smaller dal in te rijden en ineens waren we er. Na een kopje koffie wandelden we richting de kerk, die oogt groots en statig. Ooit deel van een groter klooster gebouw, helaas verwoest door een brand en de nog bruikbare stenen werden door omwonenden gebruikt om hun huizen te bouwen of verstevigen. De geschiedenis is zonder twijfel fascinerend en riep bij mij vele vragen op. Had de abdij teveel macht gekregen en was de brand de versneller richting afbraak van het eens zo machtige imperium? Om meer van de geschiedenis te lezen kijk onder de foto’s.

Over de abdij

De abdij van Murbach is geen toevallige ruïne. Ze was ooit een van de machtigste en rijkste kloosters van de Bovenrijn. Omstreeks 727–728 stichtte graaf Eberhard van Eguisheim, een machtige heer uit het geslacht van de Etichonen en verwant aan de heilige Odilia, hier een benedictijnenklooster. Hij riep de hulp in van de heilige Pirmin, die eerder de abdij van Reichenau had gesticht. De plek heette aanvankelijk Vivarium Peregrinorum – de vijver van de pelgrims – en werd gewijd aan de heilige Leodegarius (Saint-Léger).

Al snel groeide Murbach uit tot een intellectueel en politiek centrum. Rond 850 telde de bibliotheek zo’n 340 handschriften: een indrukwekkend aantal voor die tijd. Karel de Grote droeg zelfs korte tijd de titel van lekenabt. De bezittingen strekten zich uit over ongeveer 350 plaatsen, van de Elzas tot over de Rijn en tot in Luzern (dat de abdij in 1291 aan de Habsburgers verkocht). Vanaf 1228 voerden de abten de titel van rijksvorst. Ze bestuurden een klein prinsdom en sloegen later zelfs hun eigen munten.

De geschiedenis was echter niet alleen glorieus. In 926 vielen Hongaarse plunderaars het klooster aan en doodden zeven monniken; hun graftombe is nog steeds te zien. In 1381 of 1382 woedde er een zware brand in de abdijkerk. Vanaf de veertiende eeuw zette een geleidelijke neergang in: de abdij trok alleen nog edellieden aan, het gemeenschappelijke leven verwaterde en de concurrentie met de graven van Ferrette en de Habsburgers nam toe.

In de achttiende eeuw verlieten de monniken het afgelegen dal en vestigden zich comfortabeler in Guebwiller. In 1759 gaven ze de regel van Benedictus op en werd de abdij omgevormd tot een seculier kapittel van adellijke kanunniken. Pogingen tot een barokke nieuwbouw strandden al snel; het schip van de twaalfde-eeuwse romaanse kerk werd afgebroken en de stenen vonden elders een bestemming. Tijdens de Franse Revolutie, in 1789, plunderden boeren het complex. Wat overbleef, werd grotendeels afgebroken. Alleen het oostelijke deel van de prachtige romaanse abdijkerk – het koor met de twee karakteristieke torens van roze Vosgezandsteen – overleefde.

Was de brand de versneller van de ondergang, of was de macht van de abdij al langzaam uitgehold door politieke verschuivingen, interne verslapping en de groeiende greep van Frankrijk? De stenen die je nu ziet, geven geen eenduidig antwoord. Ze staan er stil en groots, alsof ze nog steeds iets willen vertellen over een imperium dat hier ooit floreerde en uiteindelijk verdween in de schaduw van de Grand Ballon.

Wat overblijft, is een parel van de Elzasser romaans: sober, krachtig en vol geheimen. Precies het soort plek dat je uitnodigt om even stil te staan en je eigen vragen te laten bestaan.

Comments

Geef een reactie

Ontdek meer van Dwaal de Tinten

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder