Onlangs was ik, naar aanleiding van een prettig gesprek, aan het nadenken over wat ik van mijn partner nodig heb. Het meest sterk kwam naar boven dat ik hem graag deelgenoot wil maken, van mijn denken, van mijn voelen, niet alleen van mijn dagdagelijkse dingen.
Tijdens een mooie herfstwandeling glibberden hij en ik samen over modderige paden, af en toe stak hij een hand uit om mij te helpen door de moeilijkere stukken te navigeren. De metafoor ontging me op dat moment, vanavond zag ik ons ineens in gedachten vanaf een afstand wandelen. De vanzelfsprekendheid waarmee hij zijn hand uitstak en ik deze vast pakte en op hem leunde.
Die vanzelfsprekendheid ben ik kwijt op andere vlakken, in het mentale, in het gevoelsstukje. Misschien zie ik zijn uitgestoken hand niet, misschien heb ik iets te vaak gedacht dat ik op zijn kracht kon leunen en ging ik toch onderuit. Feit is dat ik in die aspecten van onze dynamiek me alleen voel staan. Ik wil hem heel graag deelgenoot maken, op mijn manier probeer ik dit ook, ik heb het nodig om hem daarin te zien. Zijn aanwezigheid, zijn uitgestoken hand. De zekerheid dat hij me niet laat wegglippen in de glibberige modder maar me stevig vast houdt.
Deelgenoot werd geengenoot en ik weet niet meer hoe ik dit proces omdraaien kan want daar zijn twee partijen voor nodig. Daarvoor moeten beide partijen weten wat ze van elkaar, maar ook van zichzelf, nodig hebben om deelgenoot te zijn en deelgenoot te maken.