Ongezien en ongehoord

on

Tijdens een sombere regenbui reed ik terug, we waren op bezoek geweest bij mijn moeder. Verdrietig keek ik naar de ruitenwissers en wenste dat mijn verdriet net zo gemakkelijk weggewist kon worden als de regendruppels op de voorruit.

Kerst was zwaar geweest, oudjaar was zo mogelijk nog zwaarder geweest, nieuwjaarsdag gingen we met zijn drieën mijn moeder een gelukkig nieuw jaar wensen. Mijn zoon, mijn man en ik. De dag werd gekenmerkt door mij niet gehoord en niet gezien voelen, probeerde ik iets te vertellen in de auto op de heenweg werd er niet naar me geluisterd. Of wel ik werd onderbroken door iemand die vervolgens over iets heel anders begon, of er werd een telefoon gepakt en deze werd aandacht bestudeerd.
Bij mijn man is dit sinds zijn herseninfarct meer aanwezig, ik doe mijn best het hem niet kwalijk te nemen maar het versterkt wel mijn gevoel van eenzaamheid binnen de relatie.
Zoon is ongelooflijk onrustig, zoekt tal van prikkels op, was de dag ervoor voortdurend in weerstand en irritaties sluimerden aan de oppervlakte.

Mijn moeder heeft sinds haar ongeluk een zeer korte aandachtspanne waar het naar mij luisteren betreft, naar anderen kan ze dit wel, kan ze zelfs interesse tonen en doorvragen. Wanneer ik iets vertel dan wordt ik al aan het begin van mijn zin onderbroken, soms probeer ik nog om een aantal keer mijn zin te herhalen maar vaak geef ik het op. Het is verspilde energie en het voedt alleen maar mijn frustratie.

Op de terugweg voelde ik mij ongelooflijk eenzaam en verdrietig, niet bij machte om zowel man als zoon uit te leggen hoe ik mij voelde. De dagen ervoor en deze dag hadden mij bijna volledig leeggezogen, het voortdurend moeten rijden begon me ook parten te spelen, met mijn chronische vermoeidheid een aantal dagen geleefd worden hielp ook absoluut niet mee.
Ik was me van dat alles bewust en wist ook dat dit mijn verdriet en gevoel van eenzaamheid nog meer zou voeden.

Toch zijn er ook patronen te ontwaren die al langer bestaan. Toen mijn vader nog leefde reed ik na een bezoek aan mijn ouders bijna altijd verdrietig terug. Een gevoel van niet gezien worden had bezit van me genomen. Mijn strijden werden niet gezien, hoe zwaar het leven als moeder van mijn kinderen was werd amper erkend, mijn handicap werd niet echt serieus genomen, mijn chronische vermoeidheid werd volledig ontkend.
Het kan aan mij gelegen hebben, het kan een wisselwerking zijn geweest. Het heeft een plekje gekregen, toen ik in de periode van rouw na het ongeluk van mijn ouders, na het verlies van mijn vader ook het verlies van delen van mijn moeder probeerde te verwerken heb ik ook de rouw uit mijn verleden meegenomen. Die ging terug tot aan mijn pubertijd.
Ik zal absoluut niet stellen dat ik geen goede jeugd heb gehad, ik weet dat mijn ouders op hun manier geprobeerd hebben mij een goede jeugd te geven.

Dat het voor mij vaak voelde als een keurslijf waar ik niet in paste zegt iets over mij. Ik ben nu eenmaal die vrije geest, ik wil voelen dat alles in mij stroomt. Dat mijn gedachten en gevoelens ruimte krijgen, dat ze er mogen zijn, en het liefst ook dat ze worden gezien, erkend, dat er interesse en aandacht voor is.

Ook op andere vlakken in mijn leven overheerst dit gevoel. Ik heb mij als vrijwilliger bijna 20 jaar ingezet voor een specifieke community, tal van mensen geholpen een weg te vinden in en met hun gevoelens. En zo vaak sluimerde er een gevoel van verdriet dat er zo weinig oprechte interesse voor mij was.
Soms vraag ik me af of dit een gevolg is van mijn uitstraling. Misschien straal ik iets onbereikbaars uit, of iets krachtigs, misschien denken mensen dat ik het niet nodig heb om te delen, om gezien en gehoord te worden. Ik moet tegenwoordig vaak denken aan een gedicht dat ik lang geleden geschreven heb, dat gaat over een taal die ik niet machtig ben.

Steeds vaker denk ik, het is niet dat ik de taal niet machtig ben, het is dat anderen mijn taal onvoldoende kennen.

Door mij niet begrepen
door mij niet verstaan
niet door mijn handen gegrepen
niet aanwezig in mijn bestaan
luister ik soms naar de taal
die engelen spreken
en ik vertaal
mijn eigen gebreken
ik verklaar
mijn aardse leven
vanwaar
ik niet kan geven
wat zij van mij verwachten
het leven dat zij mij toekennen
de taak die mij ligt te wachten
zijn doelen die ik wil ontkennen
hun taal ben ik niet machtig
mijn leven te aards en gewoon
mijn geluk vinden zij niet krachtig
te bekrompen is het lichaam waarin ik woon.

– 2004

(meer van mijn poëzie vind je op Dwalertje Dwaalt)

Plaats reactie