Al eerder bouwde ik een klein heilig huisje, heilig en veilig voor mijzelf, voor mijn gedachten en mijn gevoelens. Het huisje werd ontdekt, er werd geblazen, aan het hout getrokken, het huisje werd verwoest. Er werd mij geen veilige plek gegund, ik moest zichtbaar en vooral te verwonden zijn. Ik moest het doelwit kunnen zijn wanneer frustraties nergens anders geuit konden worden.
Ik bouwde het huisje opnieuw, nog dieper weg verstopt, diep in mij. Zo ver weg dat ik het zelf soms niet eens meer kon vinden. Pas later toen het veiliger leek te worden kon ik het huisje ruimer maken, er werd nog steeds aan getornd. Het werd niet getolereerd dat ik een eigen plek had gecreëerd, een ruimte waar ik onschendbaar was, waar de pijlen van verbaal venijn en fysiek geweld me hooguit konden verwonden, maar niet verwoesten.
Het huisje bleef nog lang staan, ook nadat de relatie voorbij was. De ruïne herinnerde mij aan die veilige plek die ik nodig had gehad, aan de strijd die ik had moeten leveren om mentaal te overleven. Tot op een dag ik zelf besloot dat het tijd werd dat ook de ruïne het veld moest ruimen, ik wilde zicht op een vrije horizon zonder trieste sporen uit het verleden. Al wist ik heus wel dat ik zelf de littekens droeg.
In de afgelopen jaren bouwde ik opnieuw een klein huisje voor mijzelf, trok ik mij af en toe terug op die plek om kwetsbaar te mogen zijn zonder angst gekwetst te worden. Steeds vaker trok ik mij er terug, ik bouwde dikkere muren, ik wilde het geluid van de storm die buiten het huisje raasde kunnen buitensluiten. De storm blies en bulderde, het huisje raakte gehavend maar bleef overeind. Ik was vakkundig geworden in het bouwen van kleine heilige huisjes.
Een aantal weken geleden kon ik eindelijk na jaren de stap naar buiten zetten zoals ik ooit eerder had kunnen doen, ik kon wandelen in vrije velden zonder directe noodzaak om terug te keren naar het huisje. Wel liet ik hem staan, ik zou die fout niet nog eens maken. Het huisje blijft, het is de enige belofte die ik mijzelf kan maken, die ik ook echt kan waarmaken. Hoe hevig de storm om mij heen ook is, mijn huisje is heilig en blijft overeind. Ik laat er niemand toe, en vandaag werd me opnieuw duidelijk hoe noodzakelijk dat is. Voor mij, voor mijn gevoel van veiligheid. Vandaag veranderde het sluimerende verdriet in een enorme pijn, pijn omdat er verdeeldheid heerst, pijn omdat er stilte heerst, pijn omdat ik in mijn geven mijzelf lijk te verliezen.
Het lijkt of geschiedenis zich herhaalt, pijlen van venijn die op mij gericht worden, woede omdat ik mij terugtrek, een storm die zich voedt met gevoelens van onmacht waarbij de schuld op mij geprojecteerd wordt. Ik had geprobeerd mijn kaders te verruimen, ik dacht dat de tijd rijp was om mijn leven weer meer open te stellen voor mijn zoon zonder daar zelf schade van te ondervinden. Ik heb dit verkeerd ingeschat, in de paar uur dat ik hem toeliet werd de noodzaak om te vluchten in mijn veilige huisje pijnlijk duidelijk.
Ik had een hekje om het huisje gebouwd, in tijd had ik de palen verzet, de tuin was groter geworden en daarmee voelde het of het huisje ruimer was geworden. Vandaag heb ik de palen in de tuin weggehaald, de veranda afgebroken en mij binnen in het huisje terug getrokken. Ik heb een mantel van stilte om mij heen getrokken, om de geluiden van de storm buiten te sluiten, om het razen van de pijn en onmacht niet te hoeven voelen. Ik wil kunnen schuilen in de warmte van mijn eigen gebouwde heilige huisje en daar blijven zolang goed voor mij voelt.