En dan is dat eerste weekend dat je naar huis mag, ik haal je op, een rit van meer dan één uur enkele reistijd. Na wat wegomleidingen, wanneer het me niet lukt dichtbij de locatie te komen waar ik je op zou halen, parkeer ik de auto bij een bushalte en stuur jou mijn locatie gegevens. Goede gok, je blijft om de hoek te staan. Even later zie ik via mijn achteruitkijk spiegel jouw silhouette, ik stap uit om de kofferbak te openen en je te begroeten. Een gemeende knuffel is mijn deel, we stappen in en je praat honderduit, af en toe stuit ik op weerstandswoorden. Ik zwijg grotendeels. Onderweg een korte stop voor sigaretten en een snack, eenmaal thuis begroet je de huisdieren die jou gemist hebben, jij hen ook dat is duidelijk.
Er volgt een flow van onrustig bewegen, je loopt veel heen en weer en ik zie hoe je je meer en meer in jezelf aan het terugtrekken bent. Wanneer ik eten klaar heb werk je in korte tijd je bord leeg, zet deze op het aanrecht en vertrekt weer naar je kamer. Een gevoel van verdriet overvalt me.
Ergens na het eten wanneer ik op de bank zit zie ik je even naar buiten glippen, zonder jas, en kort daarna ben je weer terug. Ik verbijt mijn neiging om je te vragen wat je was wezen doen, ik wil zo niet zijn, ik wil niet in die achterdocht stappen. Dat vertrouwen stuk is dat is een feit, en ik wil zo graag dat het beetje bij beetje weer kan groeien, daar zal ook ik mijn aandeel in moeten leveren.
Weer even later kom je beneden, je lichaamstaal straalt meer onrust uit. Je bent je medicatie kwijt, je wist zeker dat je ze net boven nog had, uit je broek gehaald en op je bureau gelegd en nu zijn ze er niet meer. We zoeken overal, ik stel de standaard vragen, talloze zakken worden gecontroleerd, onder het bed, in de auto, zelfs in de prullenbak. Niet gevonden. Ergens vaag constateer ik dat jij er aanzienlijk rustiger onder bent dan ik mij voel, bij mij sluimert een enorme onrust. Hoe gaan we dit weekend goed doorkomen als jij geen middelen gebruikt en ook nog eens geen medicatie hebt…ik stop de gedachte net zo snel weg als deze op kwam. Je stelt me gerust en zegt dat je het wel zonder gaat redden.
Tijdens de koffie en een film die ik samen met partner kijk ben jij weer naar boven vertrokken, er is geen communicatie meer, je hebt je volledig teruggetrokken.
Wanneer ik later op de avond met de hond wandel is het of een film zich eindeloos in mijn hoofd afspeelt, telkens zie ik jou zonder jas even snel naar buiten gaan. Ik analyseer de beelden, je bent niet gaan roken want dat heb je telkens met je jas aan gedaan want het is koud buiten. Je had niets in je handen dus hebt niets weggegooid, en dan floept mijn duiveltje uit haar doos. ‘Zou je de medicijnen verkocht hebben? Ingewisseld voor iets anders?’
Ik voel boosheid opborrelen en ik kan hier nu helemaal niets mee. Jij ligt al te slapen, en ik weet niet of ik het je uberhaupt vragen wil. Ik ken mijzelf, nu deze gedachte is binnengeslopen kan ik hem niet meer buitensluiten.
Gedachten en gevoelens buitelen over elkaar heen, ik doe mijn best ze te negeren. Ik weet het niet, misschien zie ik morgen iets aan je, misschien denk ik iets te zien. Ik ben boos, dit is zo typisch jij om die eerste avond van je eerste weekend thuis geen medicatie te hebben. Ik ben boos omdat ik niet eens meer in staat ben om te denken dat het gewoon domme pech is, dat je ze misschien al eerder onderweg bent kwijt geraakt. Alles in mij probeert me voor te bereiden op het scenario dat ondenkbaar lijkt maar het niet is, dat je handel zag in die paar pillen kunnen verkopen. Dat je misschien wel een kans zag om te kunnen gebruiken.
Het gaat een zware nacht voor me worden vrees ik.