Als klein jongetje stond je blij te wachten in je bedje tot ik je er uit kwam halen. Altijd een glimlach, altijd wilde je vastgehouden worden en knuffelen, je donkere ogen straalden een immense warmte.
Als jong volwassen man kom je regelmatig boos naar beneden gestommeld, je donkere ogen stralen een immense donkerte uit.
Elk moment dat je de kamer binnen komt, of dat nu is omdat je net wakker bent, van buiten komt of naar beneden komt om iets te eten. Elk moment houd ik onbewust mijn adem in, luister ik naar jouw bewegingen vóór je de ruimte betreed. Ze vertellen me of ik kan ontspannen of dat ik alert moet zijn op agressief gedrag. Gedrag dat zich eerst richt op boosheid in het algemeen, de wereld om je heen, die ene eikel die jou geen voorrang gaf, de supermarkt manager met wie je een conflict kreeg. Vaak draait je boosheid, zonder aanleiding, richting mij. Ik ben het die jou niet begrijpt, die niet de wereld mee maakt zoals jij hem meemaakt, die niet weet wat jij doormaakt.
Dat laatste klopt, ik kan me daar niet in verplaatsen. Ik maak het mee vanaf de zijlijn, al vele jaren (zo’n tien inmiddels). Ik wordt ook geraakt door de dingen die jou raken omdat je ze in de meeste gevallen af moet reageren op mij. Je frustraties uit je bij mij, een enkele keer bij je stiefvader, toen je zus nog thuis woonde ook bij haar maar verder vooral bij mij. Ik ben voor jou die verbale boksbal waar je tegen aan mept wanneer je gefrustreerd bent, wanneer je boos bent, wanneer je geraakt bent, wanneer je het niet meer weet en ook wanneer je verdrietig bent.
Soms duren die momenten kort, ben je het even kwijt en kom je even later mij weer opzoeken omdat er toch nog iets uit moet. Het nadeel van mijn voordeel van thuis werken is dat ik voor jou dus altijd aanwezig ben, en vooral dat ik altijd jou frustraties aan kan horen. Je maakt mij tot jouw persoonlijk verbale boksbal, zonder te verifiëren of het mij wel uitkomt, zonder respect voor mijn grenzen.
Er zijn momenten dat het uren duurt, soms sleept iets van de ene dag voort de andere dag in.
Het put me uit, ik trek me terug in mijzelf, word stiller, sluit me af voor jouw woorden. Ik doe mijn best ze langs mijn schouders af te laten glijden, ik kan ze niet meer opnemen, ik kan je ook niet altijd meer helpen om te relativeren.
Het is gewoon op, op in mij, murw gebokst.